De ezel die weigerde een metafoor te zijn
De ezel kwam op dinsdag, om tien over elf, de stad binnen. Dat was ongelukkig, want om half twaalf zou op het Grote Plein de Week van de Betekenis worden geopend.
Hij liep langzaam, maar niet aarzelend. Zijn hoeven klonken droog op de stenen. Aan zijn linkerflank zat een lichte plek waar een tuig had geschuurd. In zijn vacht kleefden twee distelkoppen en een geel lintje waarvan niemand later met zekerheid kon zeggen waar het vandaan kwam. Zijn oren draaiden afzonderlijk van elkaar, alsof ze niet tot dezelfde ezel behoorden.
Het was al drie weken warm. In de bermen lag het gras plat en grijs. De vijver in het stadspark was met hekken omgeven nadat drie honden er ziek uit waren gekomen. Op het plein stond vroeger een lage hardstenen drinkbak, maar die was de avond ervoor weggehaald omdat hij het zicht op het podium belemmerde.
De ezel bleef staan op de plek waar de drinkbak had gestaan.
Hij rook aan de vier lichtere tegels. Daarna likte hij aan een donkere kring in het zand tussen de voegen.
De eerste die hem zag, was de filosoof. Die was uitgenodigd om de Week van de Betekenis te openen met een lezing getiteld Wat bedoelen wij wanneer wij betekenis bedoelen? Hij droeg een licht linnen pak dat hem op foto’s ernstig maar toegankelijk deed lijken. In zijn ene hand hield hij zijn lezing, in de andere een flesje water.
Hij bleef op enkele meters van de ezel staan.
‘Buitengewoon,’ zei hij.
De gemeentelijke programmamaker, die naast hem liep, keek eerst naar de ezel en toen naar het draaiboek.
‘Die stond er gisteren niet.’
‘Juist daarom,’ zei de filosoof.
De ezel hief zijn kop toen hij het waterflesje hoorde kraken. De filosoof merkte dit niet. Hij was al gaan spreken.
‘De ezel is natuurlijk van oudsher een dubbelzinnig dier. Enerzijds domheid, anderzijds volharding. Enerzijds het onvermogen te begrijpen, anderzijds de weigering zich te onderwerpen aan wat wij begrip noemen.’
De programmamaker schreef dit op. Niet omdat het nieuw was, maar omdat het bruikbaar klonk.
Om elf uur vijftien werd de wethouder gebeld. Om elf uur zeventien kwam de productiecoördinator met twee dranghekken. Om elf uur negentien verscheen de kunstenaar die later op de middag een performance zou uitvoeren waarbij hij zevenendertig minuten lang een wit bord boven zijn hoofd hield. Op dat bord stond niets.
‘Niet aanraken,’ zei de kunstenaar. ‘Ik denk dat dit een werk is.’
‘Hij stond er gewoon,’ zei de productiecoördinator.
‘Dat is wat ik bedoel.’
De ezel zette één hoef naar voren. De drie mensen om hem heen deden tegelijk een stap achteruit. Toen hij niet verder liep, kwamen ze weer iets dichterbij.
Het nieuws verspreidde zich snel. Eerst onder de medewerkers, toen onder de genodigden en daarna op internet, waar een foto verscheen met het onderschrift:
MYSTERIEUZE EZEL BEZOEKT WEEK VAN DE BETEKENIS
Op de foto stond de ezel naast een rol elektriciteitskabel en een doos plastic bekertjes. De kabel en de bekertjes werden bij het bijsnijden verwijderd.
De wethouder arriveerde om elf uur zevenentwintig. Zij liep kordaat, maar niet zo kordaat dat dit op de officiële foto agressief zou lijken.
‘Van wie is hij?’
Niemand wist het.
‘Is hij veilig?’
Ook dat wist niemand.
‘Is hij verzekerd?’
De productiecoördinator zei dat hij dat ging uitzoeken, hoewel hij niet wist waar hij moest beginnen.
De wethouder bekeek de ezel. Ze bekeek de verzamelde fotografen. Daarna keek ze opnieuw naar de ezel, ditmaal alsof zij samen iets hadden afgesproken.
‘Misschien,’ zei ze, ‘is dit precies waar onze stad voor staat.’
De filosoof trok zijn wenkbrauwen op. De kunstenaar trok ze nog iets hoger op.
‘En waar staat onze stad voor?’ vroeg een journalist.
De wethouder antwoordde zonder aarzelen:
‘Voor de moed om stil te blijven staan wanneer de wereld ons tot haast dwingt.’
De ezel sloeg met zijn staart naar een vlieg.
‘En voor weerbaarheid,’ voegde de wethouder eraan toe.
Om half twaalf begon de opening zeven minuten te laat. De ezel stond nog steeds op de lichtere tegels. Men had besloten hem niet te verwijderen. De dierenambulance was gebeld, maar die bevond zich aan de andere kant van de gemeente en kon niet zeggen hoe laat iemand zou komen.
De filosoof legde zijn papieren op het spreekgestoelte. Hij keek naar zijn voorbereide openingszin, keek naar de ezel en schoof zijn papieren opzij.
Dat gebaar werd later geroemd als een toonbeeld van intellectuele moed.
‘Dames en heren,’ begon hij, ‘wij kunnen vandaag niet om de ezel heen.’
Dat was letterlijk niet waar. Er was aan weerszijden ruim zes meter vrij.
‘Al eeuwenlang,’ vervolgde hij, ‘draagt dit dier onze oordelen. Wij noemen iemand een ezel wanneer wij hem dom vinden. Wij spreken over ezelsbruggetjes wanneer ons verstand hulp behoeft. Wij prijzen de koppigheid van wie achteraf gelijk blijkt te hebben en veroordelen dezelfde koppigheid wanneer wij zelf verder willen. De ezel is het lastdier van onze taal.’
De ezel liet zijn onderlip zakken en ademde hoorbaar uit.
In de voorste rij werd instemmend geknikt.
‘Kijk,’ fluisterde iemand. ‘Hij zucht.’
De filosoof hoorde het en wachtte even. Ook wachten kan, mits goed getimed, op inzicht lijken.
‘Misschien weigert hij,’ zei hij toen, ‘nog langer onze metafoor te zijn.’
Er volgde applaus.
De ezel bewoog zijn oren naar achteren. Daarna liep hij rechtstreeks op de filosoof af.
De eerste rij week uiteen. De wethouder werd door haar woordvoerder bij de elleboog gepakt. Een fotograaf struikelde over een tas. Alleen de filosoof bleef staan, deels uit waardigheid en deels omdat hij niet snel genoeg begreep wat er gebeurde.
De ezel stopte vlak voor hem en duwde zijn neus tegen het flesje water in zijn hand.
Er werd gelachen.
Niet hard. Eerst voorzichtig, alsof men wilde weten of het mocht. Toen de wethouder ook lachte, werd het luider.
De filosoof keek naar het flesje. Vervolgens keek hij naar de ezel. Een kleine verandering trok door zijn gezicht, maar nog voordat zij een gedachte kon worden, nam de kunstenaar hem het flesje uit handen.
‘Wacht,’ zei de kunstenaar. ‘Niet ingrijpen.’
‘Hij heeft misschien dorst.’
‘Precies.’
De kunstenaar zette het flesje midden op het podium. De ezel volgde hem met zijn ogen.
‘De afstand tussen behoefte en bezit,’ zei de kunstenaar. ‘Dat is het werk.’
Hij zette het flesje nog iets verder naar achteren.
‘Is dat niet een beetje—’ begon de filosoof.
‘Als we hem nu water geven, leggen we het dicht.’
Niemand vroeg wat het was.
De ezel liep naar het podium. Het podium was zestig centimeter hoog. Hij zette zijn neus tegen de rand, snoof en keek opzij. De fotografen gingen door hun knieën. De kunstenaar hief één hand, niet om de ezel aan te raken, maar om het publiek te wijzen op wat er gebeurde.
‘Hij weigert het podium,’ zei hij.
De wethouder knikte.
‘Een belangrijk signaal.’
De ezel beet in het zwarte doek dat langs de podiumrand hing.
‘Hij ontmaskert de representatie,’ zei de filosoof, die zijn evenwicht begon terug te vinden.
De ezel trok. Het doek kwam los van één hoek. Een doos met programmaboekjes werd zichtbaar, evenals een verlengsnoer en de schoenen van de dagvoorzitter.
Het applaus was nu uitbundig.
Tegen twaalf uur stonden er bijna tweehonderd mensen op het plein. Sommigen kwamen voor de Week van de Betekenis, anderen voor de ezel en weer anderen omdat tweehonderd mensen die naar een ezel kijken doorgaans interessanter zijn dan wat men zelf van plan was.
Er ontstonden groepen.
De Vereniging voor Vrij Denken vond dat de ezel de moed belichaamde zich aan menselijke categorieën te onttrekken. Een docent met vijftien leerlingen zag in hem de bescheidenheid van de ware wijze. Twee mannen bij de fietsenstalling meenden dat hij vooral liet zien hoe koppig de overheid was. De lokale ondernemersvereniging stelde voor hem tot mascotte van de binnenstad te benoemen, zolang iemand kon garanderen dat hij niet voor winkels zou poepen.
Een vrouw maakte kartonnen borden met daarop:
DE EZEL IS GEEN SYMBOOL
Onder de tekst tekende zij een zwart silhouet van een ezel.
De borden verkochten goed.
Mina van de plantsoenendienst kwam om kwart over twaalf het plein op. Zij had de hele ochtend jonge bomen water gegeven. Dat mocht alleen vóór twaalf uur, volgens het hitteprotocol, maar de laatste boom stond achter het stadhuis en protocollen veranderen niet altijd mee met de afstand tussen twee plaatsen.
Ze droeg een oranje werkbroek en trok een groene slang achter zich aan. Toen ze de menigte zag, dacht ze eerst dat er iemand onwel was geworden. Daarna zag ze de oren boven de mensen uitsteken.
‘Waar komt die vandaan?’
Niemand wist het.
‘Heeft hij al water gehad?’
De kunstenaar, die haar vraag hoorde, legde uit dat de situatie inmiddels deel uitmaakte van een collectief onderzoek.
‘Waarnaar?’
‘Naar onze verhouding tot het niet-menselijke.’
Mina keek naar de ezel. Hij stond met zijn voorhoeven dicht bij elkaar. Langs zijn neus liep een grijze streep stof. Zijn flank bewoog snel, maar niet dramatisch. Het was geen beweging die zichzelf aankondigde. Men moest ervoor kijken.
‘Hij heeft dorst,’ zei ze.
‘Dat is één interpretatie,’ antwoordde de filosoof.
Mina draaide de kraan aan. Het eerste water dat uit de slang kwam, was heet van de zon. Ze liet het over de stenen lopen tot het koeler werd.
De ezel hief zijn kop.
Ook de mensen hoorden het water. Het plein werd stiller.
‘Een ogenblik,’ zei de productiecoördinator. ‘We kunnen een onbekend dier niet zomaar—’
‘Ik geef hem een emmer.’
‘Er kunnen aansprakelijkheidskwesties zijn.’
‘Dan krijgt hij aansprakelijk water.’
Ze pakte een zwarte rubberen emmer van haar kar.
De kunstenaar ging voor haar staan. Niet dreigend; eerder met de bezorgde zachtheid van iemand die een kwetsbaar proces bewaakt.
‘Als je hem nu laat drinken, reduceer je zijn aanwezigheid tot een lichamelijke behoefte.’
Mina keek hem aan.
‘Dat lijkt me voor een lichaam geen kleine zaak.’
‘Maar misschien vraagt hij iets van ons.’
‘Dan kan hij dat na het drinken nog een keer vragen.’
Ze vulde de emmer.
Op dat moment stapte de wethouder naar voren. Ze zei dat ze alle perspectieven respecteerde. Vervolgens stelde ze voor eerst de dierenambulance af te wachten. Een bevoegd persoon kon dan vaststellen wat verantwoord was.
‘Hoe lang duurt dat?’ vroeg Mina.
De productiecoördinator keek op zijn telefoon.
‘Tussen twintig minuten en anderhalf uur.’
‘Mooi nauwkeurig.’
‘Het is druk.’
Mina zette de emmer op de grond, aan haar kant van het dranghek. De ezel rook het water. Hij liep ernaartoe.
De menigte bewoog mee.
‘Niet voeren!’ riep iemand.
‘Het is water,’ zei Mina.
‘Ook water kan gevaarlijk zijn als een dier oververhit is,’ zei een ander.
‘Is dat zo?’
‘Dat heb ik ergens gelezen.’
‘Waar?’
De ander kon dit onder de omstandigheden niet onmiddellijk terugvinden.
De ezel bereikte het hek en stak zijn kop tussen de spijlen. De emmer stond nog geen halve meter buiten zijn bereik. Hij duwde verder. Het hek schraapte over de tegels.
De fotografen klikten.
De vrouw met de borden begon te scanderen:
‘GEEN SYMBOOL! GEEN SYMBOOL!’
Anderen namen het over.
De ezel duwde opnieuw. Het dranghek kantelde. De productiecoördinator probeerde het tegen te houden, de kunstenaar probeerde ruimte te maken en de filosoof bukte om zijn papieren te redden. Daardoor viel het tweede hek tegen het eerste, het eerste tegen het spreekgestoelte en het spreekgestoelte tegen de tafel met glazen karaffen.
Er klonk brekend glas.
Een stroom water liep over het podium, langs het losgetrokken doek en tussen de lichtere tegels waar vroeger de drinkbak had gestaan.
De ezel deinsde terug van het geluid.
Het publiek slaakte één gezamenlijke kreet. Niet van angst precies, eerder van de opwinding die ontstaat wanneer een aangekondigd programma eindelijk werkelijk ergens door wordt onderbroken.
Toen stapte de ezel over het gevallen hek.
Hij liep niet naar de scherven. Hij liep naar Mina.
Zij schoof de emmer naar hem toe.
Hij dronk.
Het duurde lang.
Langer dan applaus gewoonlijk duurt en langer dan stilte gemakkelijk blijft. Eerst werden er nog foto’s gemaakt. Toen liet de ene na de andere fotograaf zijn camera zakken. De wethouder streek haar jasje glad. De kunstenaar hurkte bij het omgevallen podium en keek naar de donkere plek die het water in het hout maakte. De filosoof vond één vel van zijn lezing terug. De inkt was uitgelopen, zodat het woord betekenis alleen nog leesbaar was als beten.
De ezel dronk de emmer leeg.
Mina vulde hem opnieuw.
Ook die dronk hij leeg.
Bij de derde emmer stopte hij halverwege. Hij hief zijn kop. Water hing in de haren rond zijn bek en viel met trage druppels op de stenen.
Niemand sprak.
De ezel keek naar de menigte.
Tenminste, zo werd het beschreven.
Het is moeilijk vast te stellen waarnaar een ezel kijkt. Zijn ogen staan aan de zijkanten van zijn hoofd. Misschien keek hij naar de mensen. Misschien naar een vlieg, het omgevallen hek of de smalle straat waardoor hij gekomen was. Misschien keek hij niet op de manier waarop een menigte graag bekeken wil worden.
Toch voelden verschillende aanwezigen zich gezien.
De wethouder zou later zeggen dat dit het moment was waarop de stad zichzelf in de ogen keek. De kunstenaar noemde het een wederzijdse erkenning tussen soorten. De filosoof schreef in een essay dat de blik van de ezel hem had teruggeworpen op de ondoorgrondelijkheid van de ander. De vrouw van de borden liet een nieuwe oplage drukken met alleen twee zwarte ogen erop.
Mina tilde de emmer op en goot het overgebleven water bij een jonge plataan.
De ezel liep terug naar de plek van de verdwenen drinkbak.
Daar bleef hij staan.
Dat bracht iedereen opnieuw in verwarring.
Als hij alleen maar dorst had gehad, waarom ging hij dan terug?
De filosoof zag hierin het bewijs dat de lichamelijke behoefte nooit het hele verhaal was. De kunstenaar sprak over een terugkeer naar de plaats van ontneming. De wethouder beloofde nog diezelfde middag te onderzoeken of de oude drinkbak kon worden teruggeplaatst, mits deze voldeed aan de actuele voorschriften voor toegankelijkheid, waterveiligheid en historisch straatbeeld.
Mina dacht dat er misschien nog water in het zand tussen de voegen zat.
Ze zei het niet.
Om twee uur verscheen een man met een stuk blauw touw. Hij was buiten adem en had modder op zijn broek. Toen de ezel hem zag, bewoog hij één oor.
‘Daar ben je dus,’ zei de man.
Er ging een teleurgestelde zucht door de menigte. Een onbekende ezel was iets anders dan een ezel met een man en een touw.
‘Is hij van u?’ vroeg de wethouder.
‘Voor zover een ezel van iemand is.’
Deze zin herstelde onmiddellijk een deel van de belangstelling.
De man vertelde dat de ezel Barend heette en in een weitje achter de spoorbaan stond. Die ochtend was een hek niet goed gesloten. Barend kende de weg naar het plein omdat daar vroeger een drinkbak was. Bij warm weer was de man meermaals met hem door de stad gelopen.
‘Dus hij kwam voor het water?’ vroeg een journalist.
De man keek naar Barend.
‘Waarschijnlijk.’
‘Niet als daad van verzet?’
‘Hij kan allebei,’ zei de man. ‘Dorst hebben en lastig zijn.’
De journalist schreef: EZEL BAREND: DORSTIG ÉN DWARS.
De man maakte het touw losjes vast aan het halster. Barend liep drie stappen met hem mee. Toen bleef hij staan.
De menigte hield haar adem in.
De man trok niet. Hij wachtte.
Barend keek naar de straat, naar de plataan of naar niets dat iemand kon aanwijzen. Daarna liep hij verder.
Bij de hoek bleef hij nog één keer staan. De vrouw met de borden stak haar bord omhoog. De kunstenaar boog. De filosoof legde een hand op zijn borst. Mina rolde haar slang op.
Barend liet een grote hoop mest vallen en verdween achter de apotheek.
De kunstenaar zette onmiddellijk vier pionnen rond de hoop.
In het officiële verslag van de Week van de Betekenis kreeg het voorval negen pagina’s. Er werden vijf lessen uit getrokken. De gemeenteraad nam een motie aan over meerstemmige ontmoetingsplaatsen. De drinkbak werd drie maanden later teruggeplaatst, twintig meter verderop, naast een bord waarop stond:
OP DEZE PLAATS LEERDE EEN EZEL ONS DAT NIET ALLES EEN BETEKENIS HOEFT TE HEBBEN.
De werkelijke plaats lag twintig meter terug, maar daar liep inmiddels een stroomkabel voor de kerstverlichting.
Niemand wist of Barend ooit nog op het plein kwam.
Sommigen zeiden van wel. Een bakker beweerde hem vroeg op een winterochtend bij de drinkbak te hebben gezien. Een student had een foto, maar daarop kon het dier evengoed een kleine pony zijn. De kunstenaar maakte een voorstelling over de afwezige ezel. De filosoof eindigde voortaan iedere lezing met een korte stilte. De wethouder werd herkozen.
Mina vulde de drinkbak wanneer ze erlangs kwam.
Niet omdat Barend iets vertegenwoordigde.
Ook dat is natuurlijk maar één lezing.

